Spagyrik/Alchemie/Hermetik

http://www.staufen-pharma.de/media/files/Downloads/SPAGYRIK-Lieferverzeichnis.pdf

[Dr. Johannes Zwieauer]

Warmth to transform substances has been used since primeval times to modify the material world. Metal mining, glass blowing, and pottery come immediately to mind. The ability of warmth to transform substance is also used in the manufacture of remedies; activating processes latent in the substances themselves, which can become healing forces. Through the medium of warmth substances of nature can be directed to the human organism. Anthroposophical medicines are almost always made with one or the other of the following warmth processes:

1. Digestio = a pharmaceutical process employing mild warmth (warming of plant juices to blood temperature). In nature plant substances are exposed to seasonal and diurnal temperature rhythms but the pharmacist can maintain constant levels of warmth in the laboratory. The human organism also does this; taking substances out of their accustomed temperature rhythms and into a constant temperature. Just how vital the maintenance of normal body temperature is becomes clear in that a deviation by just a few degrees from it makes human life dys­functional or impossible. The process of digestio leads to a "humanization" of plant matter. Approaching or matching human blood temperature attunes the plant's activity to our biosystem.

Many heart remedies such as Crataegus, Strophantus, and Digitalis prepared in the digestio manner; and ferns and willows, used to heal disturbed rhythms of the digestive system, are subjected to a digestio process.

2. Infusion. Similar to brewing tea. Dried plants are steeped in simmering water and left for a short time. Brief heating extracts warmthrelated substances and is particularly suited to plants which condense the sun's warmth into aromatic oils, such as marjoram, sage, and chamomile flowers. Through the medium of warmth substances of nature can be directed to the human organism.

3. Boiling or Decoction. Plant parts are started cold and heated to simmering, then boiled for a period of time with the steam from the process cooled and condensed again and again. This process

is related to the cooking of food which does some of the work of digestion. Some plants parts, such as blossom and fruits, already have a strong relationship to warmth. They are, as it were, are precooked by the sun and therefore can be digested easily without further cooking. Boiling is useful however, in preparing other plant parts such as leaves and roots, which are less exposed to the sun's warmth. Roots, live removed from the sun in the cool earth. Relating as they do to the human head and cool nervous system, they can be utilized through the process of decoction.

Chamomile and gentian roots, for example, are often prepared in this way.

4. Distillation. Here a separation is brought about between the volatile sub­stances and their residues through the application of intense heat. An example is Melissengeist, in which warmth and airrelated substances are removed from the plant matter. Even solid minerals can be changed by distillation. An example which is freshly distilled phosphorus shows enhanced solubility, as though

the substance were enlivened. Weleda metal preparations are also subjected to the distillation process. These metals, usually bound by gravity, are put into very high temperatures using a complex highvacuum distillation method, which brings them into a gaseous state, then condenses them back onto a cold surface. The metals in this refined state are very delicate and thin, like a mirror, and their prima cosmic nature is reinforced, thus giving then maximum therapeutic effect.

5. Tostatio has its counter part in cooking, as for example in bread baking or roasting. By cooking with hot air bland foods are aromaticized, digestive glands are stimulated, and metabolic activity increased. One of the best known examples of tostatio is the preparation of green coffee beans whose characteristic aroma and taste are only brought out by roasting.

6. Carbonization. of Plants. We observe even stronger warmth effects through combustion in a confined space without oxygen. This forces all fluid and gaseous matter out of the plant, retaining only a carbon skeleton (carbon. What the earth takes long ages to form as coal deposits is achieved in a short time in the laboratory using warmth. Such plant coal has the remarkable ability to absorb light and gas, making it a valuable remedy in potentized form.

7. Ash. (cineres). This is the ultimate application of warmth in pharmacology. With the addition of an air stream, the organic substance is burnt, and all warmth and light, stored during the growth

and ripening of the plant, is released. What remains is a small heap of ash bearing only the mineral characteristics of the plant. The greatest liberation of energy in the plant world occurs in the blossom and fruiting process which, of course, is followed by a retraction into the seed. Plant ash (cinis) resembles the encapsulated life force of the seed condition. Its capacity to 'remember' the forces of light and warmth, leading to a new beginning, has been represented in mythology in the image of the phoenix rising from the ashes; an ancient symbol of the power of resurrection.

What wonderful effects of warmth we can see before our eyes! Warmth works against earthly stiffness and heaviness. It causes activity to occur in matter and leads to ever higher refining and combining conditions, from the solid to the liquid to the gaseous/aeriform; while itself permeating all these states.

 

Alchemie of alchimie (van het Arabisch: الكيمياء, al-kimia) is een natuurfilosofie van veel verschillende culturen uit vroeger tijden. Zo waren er alchemisten in het Oude Egypte, in het China van Lao Tzu, in het Hellenistische Griekenland van Alexander de Grote en in de 10e eeuw in het Midden-Oosten. Alchemisten poogden goud en andere edele metalen te produceren en zochten naar de steen der wijzen maar er waren ook alchemisten die dit slechts beschouwden als een bijproduct van hun eigen innerlijke verandering.

Vooral sedert de renaissance ontwikkelde de alchemie in Europa zich stilaan tot een meer filosofische en spirituele discipline. Vanaf de 17e eeuw werd het geleidelijk vervangen door moderne scheikunde en farmacologie.

De huidige inzichten in elementen tonen aan dat het onmogelijk is andere metalen langs chemische weg in goud om te zetten. In 1980 slaagde de Amerikaanse atoomfysicus Glenn Seaborg er wel in door middel van kernreacties, maar zijn methode was veel te kostbaar om op grote schaal goud te produceren uit andere elementen.

 

Aangenomen wordt dat het woord alchemie een samenstelling is van al en chemie of chem. Al is een Arabisch lidwoord maar het is onduidelijk of het tweede deel eveneens van Arabische origine is aangezien in de meeste oude talen gelijkaardige woorden voorkomen met een betekenis die verband lijkt te houden met het beoefenen van de alchemie. Mogelijk afgeleid van het Griekse (χυμεία; chumeia) en betekent dan 'gieten' of 'infusie', waarbij de betekenis specifiek in verband wordt gebracht met de studie van de sappen van planten. Vandaar zou het betekenisveld dan uitgebreid zijn tot chemische manipulaties in het algemeen. Het woord alchemie zou ook kunnen zijn afgeleid van khem of khamé, het hiëroglief km, km betekent 'zwarte aarde' en bij Plutarchus voorkomt als χυμεία, uitgelegd als 'de Egyptische kunst'.Het woord zou voor de eerste keer zijn voorgekomen in de werken van Julius Firmicus, een astrologisch schrijver uit de 4e eeuw. Het lidwoord al zou dan later als prefix zijn toegevoegd

door een kopiist.

 

In de Chinese traditie was het doel tot de 12e eeuw 'praktisch'. Het maken van goud/zoeken naar een levensverlengend middel. Over het eigenlijke doel van de westerse alchemie blijft echter veel onduidelijk. Alchemistische geschriften zijn in de regel immers zeer occult (duister) opgesteld. Alchemistische auteurs gebruikten een soort geheimtaal met symbolen grotendeels ontleend aan de astrologie, zodat alleen 'ingewijden' toegang hadden tot de veronderstelde wijsheid van de alchemie. Tot aan Paracelsus.x was het voornaamste doel van de alchemisten het vervaardigen van de steen der wijzen om zo rijk en onsterfelijk te worden. Paracelsus vond dat de alchemist zijn futiele zoektocht naar het fonkelend goud moest staken en de mensheid beter kon dienen door onderzoek naar betere medicijnen. Het was door de opgang van de moderne wetenschap vanaf de 17e eeuw dat alchemie meer en meer een 'innerlijke' discipline werd. Jakob Böhme (1575-1624) en Thomas Vaughan

(1621-1665) werkten heel waarschijnlijk al niet meer in een laboratorium. Deze schrijvers identificeerden de steen der wijzen vaak met Christus en waren met evenveel recht mysticus te noemen als alchemist.

 

Alchemie bestrijkt diverse filosofische tradities verspreid over ongeveer 4 eeuwen en 3 tradities onderscheiden die grotendeels onafhankelijk van elkaar ontstonden: de Chinese alchemie, de Indiase alchemie en de westerse alchemie. Deze laatste ontstond rond de Middellandse Zee, waarbij in de loop van enkele duizenden jaren haar centrum verschoof vanuit het Oude Egypte naar de Grieks-Romeinse wereld en via islamitische beoefenaars ten slotte het middeleeuwse Europa bereikte.

Chinese alchemie was nauw verbonden met het taoïsme.

De Indiase alchemie met de dharma religies.

Westerse alchemie ontwikkelde eigen filosofische systeem onder invloed van diverse westerse religies. In hoeverre de genoemde 3 tradities elkaar in de loop der tijden hebben beïnvloed en of ze mogelijk een gemeenschappelijke oorsprong hebben, blijft een onbeantwoorde vraag.

Chinese alchemie: De vroegste Chinese alchemisten lijken de taoïsten geweest te zijn. Aan de oorsprong van deze traditie zou de wijze Lao Tzu liggen, die leefde omstreeks 550 v.Chr.

De beschrijvingen van de Tao (de weg) hebben veel gemeen met de prima materia zoals bijvoorbeeld Paracelsus ze opvatte, namelijk als 'de Moeder van Alle dingen' waarbij alle dingen geschapen zijn uit een enkele materie.

Terwijl de westerse alchemie uitgaat van 4 elementen en 3 principes, maakt de Chinese alchemie gebruik van de elkaar complementerende principes van yin en yang. Yin representeert hierbij het passieve, vrouwelijke element, en yang het actieve mannelijke. (In de westerse alchemie vinden we ditzelfde idee terug onder verschillende namen: sulfur en mercurium, het vaste en het vluchtige, Sol en Luna, Koning en Koningin.)

Twee vormen:    

* een innerlijke, spirituele alchemie, Nei Tan genoemd

* een praktische, (laboratorium)alchemie, Wei Tan genoemd

De 'uiterlijke' Wei Tan-alchemie was dominant tot ongeveer de 12e eeuw, waarna onder invloed van het boeddhisme Nei Tan de overhand kreeg. Het hoofddoel van Wei Tan was het elixer of de 'pil' van onsterfelijkheid.

De Chinese alchemisten deden in hun laboratoria als gevolg van hun zoektocht naar dat elixer talrijke ontdekkingen en legden zo de fundering van de Chinese wetenschap en de scheikunde in het bijzonder.

Indiase alchemie: is ondenkbaar zonder het hindoeïsme. En net zoals haar Chinese tegenhanger is de Indiase alchemie vooral bezig met de productie van elixers om het leven te verlengen.

            Het idee dat twee tegenstellingen (polariteiten) aan de basis liggen van de dingen is ontleend aan het hindoeïsme: Shakti als vrouwelijk principe is de actieve Moeder/Vernietiger, en is de oorzaak van de eindeloze verandering van de wereld. Shiva daarentegen is de constante, passieve, mannelijke energie. Het lijkt er op dat de Chinese en Indiase traditie deze principes delen en uitwisseling is geweest. Indiase alchemie heeft ook een aantal overeenkomsten met yoga en tantra: alle drie streven ze zuiverheid van lichaam en geest na, een soort veredeld lichaam waar tijd en verval geen vat op hebben. De adembeheersing en het werk met de chakra's vindt men bijvoorbeeld ook terug in zowel tantra als Indiase alchemie. Beiden streven ernaar om latente energieën in het lichaam vrij te maken met als uiteindelijk doel het bereiken van verlichting. De gelijkenis met wat westerse alchemisten van de steen der wijzen verwachtten is opvallend. Bij de oudste Indiase alchemistische teksten horen degene die worden toegeschreven aan Nagarjuna, een Boeddhistische wijze. In zijn geschriften benadrukt hij - net zoals de westerse alchemisten - dat al wie het alchemistische pad wil bewandelen, behalve intelligent en volhardend, vooral zuiver van geest moet zijn.

Indiase alchemisten deden ook wetenschappelijke uitvindingen die pas later het westen zouden bereiken. Zo ontdekten ze reeds in de 12e eeuw het belang van de kleur van de vlam bij de analyse van metalen, en sommige metallurgische processen kenden ze al drie eeuwen vóór Paracelsus, Agrippa en Agricola. Ook het intern (medicinaal) gebruik van metalen pasten ze zes eeuwen vóór Paracelsus toe. Onze moderne 'vitaminepil ' is hier een afstammeling van.

Egyptische alchemie: De oorsprong van de westerse alchemie leidt naar het oude faraonische Egypte. Metallurgie en mystiek waren onlosmakelijk met elkaar verbonden in de oude wereld.

Er wordt door Zosimos beweerd dat alchemie in het Oude Egypte het domein was van de priesterklasse.

Egyptische alchemie is ons vooral bekend dankzij de geschriften van oude Hellenistische (Griekse) filosofen, wier teksten vaak alleen overgeleverd zijn in Syrische en Arabische vertalingen. Originele Egyptische documenten over alchemie zijn schaars.

Volgens de legende zou de Egyptische god Thoth de stichter zijn van de Egyptische alchemie. Hij werd door de Grieken Hermes-Thoth of Hermes Trismegistus genoemd. Hij zou 'de tweeënveertig Boeken van de Kennis' geschreven hebben, die alle mogelijke domeinen van kennis, alchemie inbegrepen, bestreken. Het symbool van Hermes was de caduceus of slangenstaf, die een van de belangrijkste symbolen van de alchemie werd. Het 'Emerald Tablet' of 'Smaragden Tafel' werd via Griekse en Arabische vertalingen bekend als de Hermetica van de drievoudig-grote-Hermes en vormde de basis van de westerse alchemistische filosofie.

Hellenistische alchemie: De Hellenistische stad Alexandrië in Egypte was een centrum van Griekse alchemistische kennis, en behield haar reputatie gedurende het grootste deel van de Griekse en Romeinse tijd.

De Grieken eigenden zich de hermetische opvattingen van de Egyptenaren aan en vermengden deze met hun eigen filosofieën zoals het Pythagorisme, de Griekse natuurfilosofie en het gnosticisme. Ook elementen uit het werk van Plato en Aristoteles zijn opgenomen in de hellenistische versie van de alchemie.

Een zeer belangrijk concept dat in deze tijd werd geïntroduceerd, is de idee dat alle dingen in het universum ontstaan zijn uit slechts vier elementen - aarde, lucht, water en vuur.

Romeinse alchemie: De Romeinen adopteerden de Griekse alchemie en metafysica, zoals ze dit ook met de wetenschap en filosofie deden. De ontwikkeling van het christendom in het Romeinse Rijk bracht echter een verandering in de algemene houding ten aanzien van de alchemie, vooral door de invloed van Augustinus van Hippo (354-430), een vroegchristelijke filosoof die schreef over zijn geloof kort voor de val van het

West-Romeinse Rijk. Hij stelde dat zowel de rede als het geloof zouden kunnen worden gebruikt om God te begrijpen en daarin was geen plaats voor experimentele filosofie. Deze gedachten van Augustinus maakten de alchemie in de middeleeuwen verdacht. Islamitische alchemie: Na de val van het West-Romeinse Rijk verschoof de focus van de alchemistische ontwikkeling naar de islamitische wereld. Heel wat vroege geschriften over alchemie zijn dankzij

islamitische vertalingen overgeleverd en de islamitische alchemie is goed gedocumenteerd. Het woord 'alchemie' zelf is afgeleid van het Arabische woord al-الكيمياء kimia. De islamitische wereld was een smeltkroes voor de alchemie, waarbij vooral in de 7e en 8e eeuw elementen uit het platonische en aristotelische denken werden toegeëigend door de hermetische wetenschap.

Belangrijk voor de alchemie als praktische wetenschap was Jabir ibn Hayyan (gekend als "Geber" in Europa). In de 8e eeuw introduceerde hij een nieuwe benadering van alchemie, gebaseerd op een wetenschappelijke methodiek, met in een laboratorium gecontroleerde experimenten. Dit in contrast met de oude Griekse en Egyptische alchemisten wier werk vaak allegorisch en (dus) onbegrijpelijk was. Door velen wordt Jabir dan ook beschouwd als 'de vader van de scheikunde", al geven anderen deze titel liever aan Robert Boyle of Antoine Lavoisier.

Islamitische alchemisten droegen een aantal belangrijke chemische ontdekkingen bij, zoals de techniek van de distillatie (de woorden alambiek en alcohol zijn van Arabische oorsprong), muriatic (zoutzuur), zwavelzuur, salpeterzuur, soda, potas en meer. De ontdekking dat aqua regia (koningswater = mengsel van salpeterzuur en zoutzuur) goud, de edelste aller metalen, kon doen oplossen, werkte sterk op de verbeelding van de alchemisten die na hen kwamen.

Middeleeuwse alchemie: In deze periode traden een aantal afwijkingen op van de door Augustinus beïnvloede beginselen van de vroeg christelijke denkers.

Sint-Anselmus (1033-1109) was een benedictijn die stelde dat geloof de rede moest voorafgaan, maar gaf tevens aan dat ze compatibel waren. Op die manier stimuleerde hij het rationalisme binnen een christelijke context.

Er volgde een ware filosofische explosie. Petrus Abaelardus volgde Anselmus' werk en legde zo de basis voor de studie van Aristoteles, nog voor de eerste werken van Aristoteles het westen bereikten. Zijn belangrijkste invloed op de alchemie was zijn stelling dat Platoonse ideeën (nu universalia genoemd) geen apart bestaan buiten het bewustzijn hadden.

Albertus Magnus (1193-1280) en Thomas van Aquino (1225-1274) waren beiden Dominicanen die Aristoteles bestudeerden. Beiden trachtten de verschillen tussen filosofie en christendom te verzoenen. Thomas deed ook een groot deel van het werk in de ontwikkeling van de wetenschappelijke methode.

De eerste echte alchemist in het middeleeuwse Europa was Roger Bacon. Zijn werk betekende voor de alchemie evenveel als wat Robert Boyle voor de chemie en Galileo voor astronomie en natuurkunde hadden gedaan.

Bacon (1214-1294) was een franciscaner van Oxford die naast alchemie optica en talen bestudeerde. Het franciscaanse ideaal om de wereld te nemen zoals hij was in plaats van hem af te wijzen, leidde tot zijn overtuiging dat experimenten belangrijker waren dan redeneren.

De Fransman Nicolas Flamel was een van de weinige alchemisten die in deze voor alchemisten moeilijke periode schreef. Flamel leefde van ca. 1340 tot 1418[11] en zou het archetype worden voor de alchemisten na hem. Hij was geen religieuze geleerde zoals veel van zijn voorgangers. Zijn hele interesse in alchemie draaide rond de zoektocht naar de steen der wijzen, waarvan hij ook beweerde de formule gevonden te hebben. Gedurende de late middeleeuwen (1300-1500) waren alchemisten net als Flamel geconcentreerd op zoek naar de steen der wijzen en het elixer van de jeugd.

De Duitser Heinrich Cornelius Agrippa (1486 - 1535) was een alchemist die van zichzelf geloofde dat hij geesten kon oproepen. Zijn invloed was niet zo groot, maar net als Flamel produceerde hij geschriften waar door latere alchemisten naar verwezen zou worden. Eveneens net als Flamel heeft hij veel gedaan om alchemie van een mystieke filosofie om te vormen tot een occulte magie.

De termen chemie en alchemie werden in de renaissance als synoniemen gebruikt en de verschillen tussen alchemie, chemie en metallurgie waren niet zo helder afgebakend als in de huidige tijd.

De belangrijkste man in deze periode is Paracelsus (1493-1541), die de alchemie in een nieuwe vorm heeft gegoten. Hij wees een deel van het occultisme af dat door de jaren heen was verzameld en bevorderde het gebruik van waarnemingen en experimenten om de kennis over het menselijk lichaam te vergroten. Paracelsus was ook een pionier in het gebruik van chemicaliën en mineralen in de geneeskunde. Hij voegde aan de klassieke 4 elementen-theorie het tria prima van mercurium, sulfer en zout toe en maakte zijn eigen hybride vorm van alchemie en wetenschap die iatrochemie (chemie van de arts) werd genoemd. Ziekte en gezondheid van het lichaam waren volgens hem afhankelijk van de harmonie tussen de mens (de microkosmos) en de natuur (de macrokosmos).

In Engeland werd alchemie in die periode vaak geassocieerd met Doctor John Dee (13 juli 1527 - december 1608), beter bekend door zijn rol als astroloog, cryptograaf en algemeen 'wetenschappelijk adviseur' van koningin Elizabeth I. Dee werd beschouwd als een autoriteit op gebied van het werk van Roger Bacon, en was voldoende in de alchemie geïnteresseerd om er een boek over te schrijven: de Monas Hieroglyphica uit 1564, een werk dat duidelijk beïnvloed was door de kabbala.

Dee werkte een tijd samen met de exuberante Edward Kelley, die beweerde met engelen te communiceren door middel van een kristallen bol en claimde een poeder te bezitten dat kwik zou veranderen in goud. Kelley zou door zijn exuberante uitspraken en gedrag aan de basis liggen van het populaire beeld van de alchemist-charlatan dat overal in de literatuur opdook.

 

De ondergang van de westerse alchemie vanaf de 17e eeuw werd veroorzaakt door de opkomst van de moderne wetenschap met haar nadruk op strenge kwantitatieve experimenten en haar minachting voor "oude wijsheid". Hoewel deze ontwikkeling al in de 17e eeuw begon, zou de alchemie nog 200 jaar aanhangers voor zich winnen en in feite beleefde zij in de 18e eeuw nog een hoogtepunt. Nog in 1781 beweerde James Price een poeder gemaakt te hebben dat kwik in zilver of goud kon transmuteren.

Robert Boyle (1627-1691) (wet van Boyle) was de pionier in de toepassing van de wetenschappelijke methode bij chemisch onderzoek. Met hem en wetenschappers als Antoine Lavoisier en John Dalton begon de moderne scheikunde. Tegelijkertijd leidde de paracelsische alchemie tot de ontwikkeling van de moderne geneeskunde. Wetenschappers als William Harvey ontdekten dankzij experimenten geleidelijk aan allerlei belangrijke lichaamsfuncties zoals de circulatie van de bloedsomloop, en later de ware oorsprong van allerlei ziektes (Robert Koch en Louis Pasteur, 19e eeuw) en de precieze functie van vitaminen (James Lind, Christiaan Eijkman, Casimir Funk et al.).

De opkomst van deze moderne disciplines had tot gevolg dat de alchemie als studie niet meer aan de universiteit werd onderwezen en dezelfde weg opging als andere esoterische wetenschappen; het werd gezien als de belichaming van kwakzalverij en bijgeloof. Niettemin bleven de rozenkruisers en vrijmetselaars grote belangstelling voor de traditionele alchemie tonen; zo zijn er in de Bibliotheca Philosophica Hermetica en het Cultureel Maçonniek Centrum 'Prins Frederik' nog een groot aantal boeken over dit onderwerp terug te vinden.

In "Modern Alchemy, Occultism and the Emergence of Atomic Theory" betwist prof. Mark Morrisson nochtans de verwerping van de alchemie als een soort voetnoot bij de wetenschap. Hij toont in deze studie de invloed van de alchemie op de ontluikende 19e en 20e eeuwse subatomaire wetenschappen aan. Hierbij maakt hij niet alleen gebruik van notities van laboratoria uit die tijd, maar ook van alchemistische teksten, wat hem brengt tot de conclusie dat tijdens de geboorte van de moderne kernfysica de wegen van wetenschap en occultisme - zo vaak als antithetisch beschouwd - voor korte tijd samenvielen.

De principes van de alchemie worden duidelijk beschreven in 'The Mirror of Alchemy', een in 1597 (Londen) gedrukt werk, waarvan 2 van 4 verhandelingen, waarschijnlijk foutief, werden toegeschreven aan Roger Bacon.

Het boek begint met een simpele definitie van alchemie: "Alchemie is een wetenschap, die leert hoe gelijk welk metaal in een ander kan worden omgezet, door middel van het juiste medicijn (...)".

Dit is nu precies de basisopvatting over materie in de alchemie. Ze is terug te voeren op Aristoteles' concept. Deze filosoof had een dualistische visie op materie en postuleerde hierbij een soort pre-existente, vormloze 'prima materia, waarop verschillende vormen en identiteiten 'gedrukt' konden worden. De meest basale vormen in dit concept waren de 4 kwaliteiten: koud, heet, vochtig en droog. Door deze eenvoudige 'vormen' te combineren werden de 4 elementen verkregen:

    * aarde (koud en droog)

    * water (koud en vochtig)

    * vuur (heet en droog)

    * lucht (heet en vochtig)

Door verschillende permutaties van deze elementen werden vervolgens de specifieke substanties gevormd van de materiële wereld. De elementen zijn onderling inwisselbaar: water kan omgezet worden in stoom (lucht), en op dezelfde manier geeft een vaste substantie stoom af als het wordt verhit. Dit fenomeen van chemische verandering werd opgevat als een mogelijkheid tot transformatie, verandering van de vorm. Op basis van deze theorie werd het mogelijk geacht om het ene metaal in het andere te veranderen, te transmuteren.

Door de 'vorm' van het lood, het koper of het kwik eerst weg te nemen kon vervolgens de 'vorm' van het goud hierin worden opgelegd. In deze animistische opvatting van materie werd dit proces gezien als de 'dood' van het onzuivere basismetaal en zijn hergeboorte als het zuivere goud of zilver. Om nu na de 'dood' van het basismetaal het edele metaal te kunnen vormen, was nog iets nodig: eens soort scheikundig middel om dit te laten gebeuren. The Mirror of Alchemy verwoordt dit als volgt: "Alchemie is een wetenschap die leert hoe een bepaald medicijn samen te stellen, Elixer genaamd, dat metalen of onvolmaakte materie volmaakt maakt door middel van projectie". Dit 'universele medicijn of Elixir (uit het Arabische al-iksir, 'het poeder') was ook gekend onder andere namen, zoals het tinctuur, de steen der wijzen en tal van andere namen.

Het hele proces (Magnum Opus) dat hierna wordt beschreven, leverde uiteindelijk 'goud' op, het metaal verkregen door de transmutatie. Die zuiverheid van het goud was de kwaliteit die de alchemist nastreefde, en hierin lag ook de ambiguïteit van de alchemie. Sommige alchemisten, zoals de Engelse alchemist en charlatan Edward Kelly, streefden werkelijk rijkdom na door hun kunsten aan vorsten en graven aan te bieden. Anderen wezen erop dat het niet om gewoon goud ging, maar om 'filosofisch goud'. De auteur van The Mirror of Alchemy verwoordde het zo: "Het goud, verkregen door deze Kunst, overtreft al het natuurlijke goud in alle eigenschappen, zowel in geneeskracht als in al het andere".

Het alchemistische proces wordt door verschillende alchemistische auteurs beschreven in meestal 3, 4, 7 of 12 fasen, waarbij de ruwe materie bewerkt wordt om als eindproduct de steen der wijzen op te leveren. Een invloedrijk werk was bijvoorbeeld George Ripley's The Compound of Alchemy uit 1591, waarin de 12 hoofdstukken de 12 fasen van het magnum opus ("het grote werk") als volgt beschrijven:

   1. Calcinatie ('Calcination'):reduceert een vast lichaam tot wit poeder xxxx

   2. Oplossing ('Solution'): de vaste materie wordt vloeibaar gemaakt door een krachtig 'solvent'; een terugkeer naar de prima materia

   3. Scheiding ('Separation'): de 4 elementen worden afgebroken en het spirituele mercurium (de anima) komt vrij

   4. Conjunctie ('Conjunction')'):ook het chemische huwelijk genoemd, waarbij de tegengestelden terug worden verenigd [18]

   5. Verrotting ('Putrefaction'):zwartheid (nigredo) en verrotting als prelude tot het nieuwe leven

   6. Stolling ('Congelation'):de materie is getransmuteerd; de witte steen der alchemisten.

   7. Voeding ('Cibation'):een proces ter versterking, het 'voeden' van de hernieuwde materie

   8. Sublimatie ('Sublimation'):maakt het lichaam van de materie spiritueel. De volgende fasen beschrijven obscure processen met het doel de materie verder te 'veredelen'

   9. Fermentatie ('Fermentation')

  10. Verheffing ('Exaltation')

  11. Vermeerdering ('Multiplication')

  12. Projectie ('Projection'):als de tinctuur werkt, kan hiermee gewoon metaal omgevormd worden tot goud

Psychologische interpretatie van het zuiveringsproces

De Zwitserse arts en psycholoog Carl Gustav Jung (1875–1961) schreef een aantal boeken, waarin hij een vergelijking trok tussen de symboliek van de alchemie en de archetypische voorstellingen die hij waarnam bij zijn studie van in alle culturen en tijden voorkomende symbolen in bijvoorbeeld dromen en kunstuitingen. De alchemie beschreef volgens hem processen die symbolische uitbeeldingen waren van het proces van individuatie. Hij vergeleek het werk van de alchemisten met een soort studieboek van het collectief onbewuste. Wat voor soort goud het ook was waar de alchemisten naar op zoek waren geweest, zo dacht hij, ze hadden in feite door hun werk het onbewuste ontdekt. De sterke beelden van alchemistische taferelen (bijvoorbeeld: koning en koningin in seksuele gemeenschap, een liggende man uit wiens lichaam op de plaats van de penis een boom groeit, man en vrouw die versmelten tot een hermafrodiet) waren volgens hem duidelijk bedoeld om over te mediteren als verschillende fasen van ons bewustzijn. Onder invloed van het onderzoek dat Jung deed over alchemie, gingen psychologen de alchemistische processen ook interpreteren als projecties van onbewuste psychische processen. Hierbij werd de groei beschreven die de ziel of de psyche doormaakt om één te worden, een volledig mens. Volgens deze visie zou de steen der wijzen deze volgroeide en volmaakte mens zelf zijn. Als eerste logische stap was de afbraak van het ego nodig.

Soms wordt het alchemistisch zuiveringsproces niet in 12 maar in 7 stappen beschreven. Elk van deze stappen of fasen in het proces kan in verband worden gebracht met zowel een beschrijving uit de Smaragden Tafel als met een fase van het groeiproces van de alchemist zelf:

   1. Calcinatie (tot kalk branden of oxidatie)

   2. Dissolutie (oplossen)

   3. Separatie (scheiden)

   4. Conjunctie (samenvoegen)

   5. Fermentatie (Vergisting)

   6. Distillatie (reiniging door verdamping)

   7. Coagulatie (stolling)

Dezelfde termen duiden tegenwoordig chemische methoden aan.

Emerald Tablet = Smaragdine Table = Tabula Smaragdina = The Secret of Hermes = Grundlage der Alchemie.

1e stap: calcinatie, wordt de materie verbrand. Dit werd later in dieptepsychologische termen geïnterpreteerd als het verbranden van het ego. Met het ego bedoelt men hier het dagelijkse masker dat iemand draagt, het zich zorgen maken over het uiterlijk en over wat anderen zeggen. De scheikundige kant hiervan is het verbranden van de te zuiveren substantie (meestal een plant).

Op de Smaragden Tafel is dit gelijk aan zin 9: Zijn vader is de Zon.

2. stap: dissolutie, worden de restanten van het ego opgelost. De restanten bestaan uit de mannelijke (verstand) en vrouwelijke (gevoel) kanten (of yin en yang, of hoe het ook wordt genoemd, maar zijn nog sterk vervuild met de resten van het ego. Ook in de scheikunde is dit het oplossen van de resten (as) in een oplosmiddel.

Zin 10 van de Smaragden Tafel verwijst hiernaar: Zijn moeder is de Maan.

3e stap: separatie, worden de restanten van elkaar gescheiden, het mannelijke van het vrouwelijke. De rest wordt weggegooid (de resten van het ego). In de scheikunde staat dit gelijk aan bijvoorbeeld extractie of chromatografie.

De wind draagt het in zijn buik zegt de Smaragden Tafel (zin 11).

4e stap: conjunctie, verkrijgt de alchemist de 'kleine steen' (der wijzen). Het is de eerste hereniging van de twee delen (verstand en gevoel). De alchemisten noemden dit ook huwelijk van de koning en de koningin. Bij het bereiken van deze stap ontstaat een soort innerlijke rust; de dualiteit is opgeheven zonder tussenkomst van een ego.

De voedster ervan is de aarde (zin 12), staat er in de Smaragden Tafel. Dit is slechts het begin. Het 'koninklijk kind' moet met beide benen op de grond blijven staan en het doel voor ogen houden.

5e stap: fermentatie ofwel gisting, is scheikundig gezien een omzetting. De bij stap 4 verkregen stof moet eerst rotten en dan gisten om een nieuw soort verbinding te krijgen. De oude alchemisten voegden bij het rottingsproces vaak mest toe om het te versnellen. Na de rotting begon de werkelijke gisting, dat (meestal) resulteerde in een geelachtige stof.

6e stap: distillatie. Scheikundig is dit het laten koken en condenseren van de bij stap vijf verkregen stof, om een hogere concentratie en zuiverheid te verkrijgen. Als je te werk gaat met groot vernuft, stijgt deze kracht van de aarde op naar de hemel (= verdampen), en daalt weer af naar de aarde (= condenseren) en ontvangt energie van de hogere en de lagere (regionen).

zegt de Smaragden tafel hierover (zinnen 20 en 21). Praktisch laat de adept ook hier het wereldlijke leven los.

7e en laatste stap: coagulatie, is het ultieme samengaan van de gezuiverde delen van het zelf.

Beneden zoals boven, en boven zoals beneden staat er in de Smaragden tafel. Geest en lichaam worden één. De adept is verlicht.

 

Spagyrik (aus dem Griechischen spao „(heraus)ziehen, trennen“ und ageiro „vereinigen, zusammenführen“) bezeichnet die pharmazeutische und therapeutische Umsetzung der Alchemie. Hierbei werden pflanzliche, mineralische und tierische Ausgangssubstanzen mit Hilfe chemischer Verfahrenstechniken, die als charakteristisch für die alchemistische Verfahrensweise gelten, zu Spagyrika (Einzahl: Spagyrikum) verarbeitet. Ein wesentlicher Bestandteil der spagyrischen Arzneimittelherstellung ist die Destillation. Sie kommt außer in ihrer einfachen Form auch in besonderen Ausführungen wie der „Zirkulation“ (Form der Rückflussdestillation) oder der so genannten „Kohobation“ (Mehrfachdestillation) zur Anwendung. Voran geht in der Regel ein „Aufschluss“ der Materie, etwa durch Mazeration - auch unter Wärme („Digestion“), der bei biogenen Ausgangsstoffen oft von Fäulnis oder Gärung begleitet abläuft. Ein ebenfalls namhafter Prozess ist die Kalzinierung, worunter die Trocknung und Veraschung des Destillationsrückstands verstanden wird. Die Verfahrensschritte konzentrieren sich in der alchemistischen Weltanschauung auf die Abtrennung des „Wesentlichen“ von seiner stofflichen Erscheinung. Am Schluss steht die Zusammenführung der Zwischenstufen („Konjugation“) zur „Quintessenz“, der besondere Heilkräfte zugeschrieben werden.

Heute werden auch verschiedene Heilsysteme zusammenfassend mit dem Begriff Spagyrik bezeichnet. Das therapeutische Ziel ist die positive Beeinflussung einer imaginären „Lebenskraft“ und damit die Aktivierung der Selbstheilungskräfte. Der theoretische Hintergrund ist bei den unterschiedlichen spagyrischen Richtungen nicht einheitlich. Grundlage bilden Vorstellungen aus der antiken Naturphilosophie (Elementenlehre), die Signaturenlehre und Vorstellungen aus der Humoralpathologie.

Für Spagyrika konnten bisher weder Daten zur Wirksamkeit über eine Placebowirkung hinaus, noch eine plausible Wirkungshypothese erbracht werden. Auch die Stiftung Warentest sieht die therapeutische Wirksamkeit für kein Anwendungsgebiet belegt

Spagyrische Arzneimittel im 20./21. Jahrhundert

Bekannte Spagyriker des 20. Jahrhunderts sind etwa Johann Conrad Glückselig (1864-1934), Alexander von Bernus (1880-1965), Walter Strathmeyer (1899-1969) und Frater Albertus (bürgerlicher Name Albert Riedel, 1911-1984). In der Gegenwart wurden und werden Spagyrika im Wesentlichen als Fertigarzneimittel von verschiedenen Firmen hergestellt, es sind dies Mittel beispielsweise der folgenden Richtungen:

    * Spagyrik nach Bernus (Laboratorium Soluna Heilmittel GmbH, Donauwörth) nach Alexander von Bernus

    * Spagyrik nach Glückselig (Phönix Laboratorium GmbH, Bondorf; Heidak AG, Emmenbrücke) nach Conrad Johann Glückselig

    * Spagyrik nach Heinz (HSI-Spagyrik Institut, Braunschweig) nach Ulrich-Jürgen Heinz

    * Spagirik nach Krauß (ISO Arzneimittel, Ettlingen) nach Theodor Krauß und Johann Sonntag

    * Spagyrik nach Pekana (Pekana Naturheilmittel, Kißlegg) nach Peter Beyersdorff

    * Spagyrik nach Strathmeyer (Strath-Labor, Donaustauf) nach Walter Strathmeyer

    * Spagyrik nach Zimpel (Staufen-Pharma GmbH & Co. KG, Göppingen; Lemasor GmbH, Püttlingen; Phylak Sachsen GmbH, Burgneudorf; Heidak AG, Emmenbrücke) Verfahren in irreführender Weise benannt nach Carl Friedrich Zimpel; Herstellung der Mittel orientiert sich vermutlich an Vorschriften von Johann Rudolph Glauber

Die verwendeten Verfahren unterscheiden sich in den einzelnen Herstellungsschritten deutlich voneinander. Sechs Verfahren (Krauß, Pekana, Strathmeyer, Zimpel, Glückselig, von Bernus) sind im Homöopathischen Arzneibuch (HAB) als standardisierte Herstellungvorschriften enthalten. Die nach dem HAB hergestellten Fertigarzneimittel werden rechtlich wie homöopathische Arzneimittel behandelt: ihr Inverkehrbringen bedarf der behördlichen Genehmigung (Zulassung, Registrierung), an die Herstellungsbedingungen gelten strenge Anforderungen.

 

Hermetik:

Prinzipien, philosophische (die drei Substanzen)

Als solche wurden drei, als Sulphur, Mercurius und Sal bezeichnete feinste Materien angesehen, und sollten die bekannten Metalle aus verschieden dosierten Zusammensetzungen derselben bestehen.

Je nachdem eines oder das andere dieser Prinzipe in einem Körper vorherrschend war, sollte derselbe mehr oder weniger verbrennlich, feuerfest oder flüchtig sein.

In der Medizin galten der Sulphur, Mercurius und das Sal als die - je nach Überwiegen des Einen oder des Anderen - einen normalen oder abnormalen Gesundheitszustand bedingenden Substanzen.

Dieselbe ist im geheimwissenschaftlichen Sinne die Gesamtheit des Universums. Alles in der Welt ist das Produkt der 3 Substanzen: Mercur, Schwefel und Salz, Gedanken, des Willens und der Materie in ihren Wechselbeziehungen.

In der Alchemie das Salz, der Schwefel und der Mercur, welche die Dreiheit aller Dinge symbolisieren sollen. Sie galten als Basis alles Bestehens und enthält jede der drei Substanzen die beiden anderen. Sie bilden eine untrennbare Einheit in der Dreiheit, sind jedoch in ihren Beziehungen und Äußerungen verschieden. In den verschiedenen Dingen überwiegt immer eines dieser drei Prinzipe und prägt ihm seinen Charakter auf.

 

Merkur                                                                      Sulphur                                              Sal 

 

metallisch,                                                                                                                           unverbrennbar

schmelzbar                                                                verbrennbar                                        beständig

flüchtiges Prinzip                                                      fixes Prinzip                                       in der Asche zu finden

alkoholisch                                                                ölig, fettig                                          salzig, erdig

Geist                                                                                     Seele                                                 Körper

Wasser                                                                       Luft, Feuer                                        Erde

 

[Dr Elizabeth Wright Hubbard]

In the ancient wisdom the elements (metals) have a special place, being connected with the planets. Many of the metals we use and stress: Aur-met. Arg-met. Merc. Ferr-met. Cupr-met. - but some which theoretically should be as important do not come into their own in our knowledge and prescribing.

For instance, the subject of this paper, Stannum = tin. This is the Jupiter of the alchemists, one of the 7 most important metals, each being allied to one of the seven major planets (Aur-met. to the Sun, Arg-met. to the Moon, Plb-met. to Saturn, Stann-met. to Jupiter, Cupr-met. to Venus, Ferr-met. to Mars, and Merc. to Mercury). The more recently discovered planets Uranus, Neptune, Pluto, etc. are as yet unassigned as to metallic correspondences.

Some of the metals are a combination of forces: as Zinc-met. of Plb-met. + Stann-met., Magn. of Ferr. + Cupr-met.

In the alchemic view these metals influence or represent different planes of the human economy:

Aur-met.             the Ego.

Cupr-met.             the astral (emotional),

Ferr-met.             the astral (emotional),

Stann-met.             the etheric (vital),

Merc.             the etheric (vital),

Plb-met.             the realm between the etheric and the physical. 

Arg-met.             the realm between the etheric and the physical.

Note that each plane except the Ego, has two chief metallic influencers. The one increases the forces, and the other diminishes them. If you will check this abstruse sounding statement by our knowledge of homœopathic medicaments and their workings, and even by orthodox physiology, you will be surprised at how they all fit in.

For instance, copper (astral) is connected with Venus and is the element which frees the astral that has too strong a hold.

In plain terms, when emotionality is excessive we have hysteria, cramps, etc. which are of the essence of Cupr-met.

Ferr-met., the other astral aspect (Mars) strengthens the astral grip. In other words the anæmic, flabby Ferr-met. patient needs more of the defining, rigid, astral influence.

Again Stann-met. (etheric) connected with Jupiter, is the forming force-ideals realized in the physical, so to speak- whereas.

Merc. connected with Mercury, represents the dissolving forces of healing. For the etheric plane is the plane where healing takes place. We know, homœopathically, how Merc. will resolve the clogged antrum, the hard swollen gland, etc. (the glandular is etheric).

We also know how Stann-met. will build up and strengthen vital (etheric) weakness.

To follow, Plb-met. related to Saturn, frees the etheric from the physical, thereby tending toward the isolation of the physical, which means death.

We know how slow, devitalized, chronic, emaciated and near dissolution is the Plb. patient. Arg-met. corresponding to the Moon, permeates the physical with the etheric, thereby vitalizing, warming and fluidifying the solid.

In the Ego realm (corresponding to the Sun and warmth) Aur-met. brings the Ego in, strengthens the spirit. We know the warm powerful Aur-met. personality with its despairs in the higher realms of the Ego, and with its action on bones (bones belong to the Ego sphere). Although I have not found it in the literatur I feel that the other metal acting on the Ego must be Platinum', the false Ego, as it were, when the Ego is too strong and needs releasing, just the opposite of gold (Aur-met.) where it needs fortifying.

 

Trop. opposite qualities of Sal and Sulfur encounter each other.

Liliaceae existence therefore swings to and fro between mercury and sulfur principles. Salt, the earth processes, have little part in it.

Spores have the sulfurous character as their active principle.

Prima materia

Wasser (sichtbar/flüssiger Zustand)                             

Erde (sichtbar, fester Zustand)                    

Quitessenz (Wie  physische Luft (verborgen, gasförmiger Aether im 19. Jahrhundert)/= 5e Element                

Feuer (verborgen, subtiler Zustand)            Immergrüne.x

 

Principia corporum

 

Aer (= Luft)

Aqua (= Wasser)

Ignis (= Feuer)

Cor elementum, Instrumentum artis, Liquor, Materia prima, Mercurius, Oleum, Protheus

Terrae (= Erde)

Im alchemistischen Sinne 4 Elemente Luft, Feuer, Erde und Wasser, welche angeblich die Fähigkeit besitzen sollen, vermöge ihrer zwiefachen Grundeigenschaften sich eines in das andere zu verwandeln.

Es galt: Feuer trocken und warm,

Luft als warm und feucht,

Wasser feucht und kalt,

Erde kalt und trocken.

Je zwei dieser Elemente haben also stets eine Eigenschaft gemeinsam, wodurch das Umwandeln des einen in das andere sehr erleichtert ist.

 

Erde = ist das Symbol des Urstofflichen/= eine unsichtbare, ätherische Substanz, welche die Grundlage aller körperlichen Erscheinungen bildet.

Wasser = Symbol des Bindegliedes zwischen Geist und Stoff, und galt als solches auch als Sinnbild der Gedanken.

Luft = Beziehung auf Raum oder Form.

Feuer = das Reich des Geistigen oder des Lebens.

Durch eine Vereinigung dieser Elemente unter verschiedenen Bedingungen entstand nach Meinung der Alchemisten eine unendliche Reihe von Formen (Körpern), welche die sichtbare Welt ausmachen.

 

Der Mercurius = geistige Quintessenz aller Dinge.

 

Während die Wissenschaft vier Elemente, Erde, Wasser, Feuer, Luft annahm, gesellte die Geheimlehre denselben noch ein fünftes, den Weltgeist (Mercurius) bei.

Die Alchemie betrachtete die 4 ersten Elemente als allgemeine, uns für gewöhnlich unsichtbare Prinzipe, welche aber die Ursache des Wahrnehmbarwerdens aller Dinge sind, indem sie denselben die Eigenschaften des Erdigen (Festen, Materiellen), des Wässerigen (Flüssigen), des Luftigen (Gasartigen) und des Feurigen (Ätherischen) verleihen.

 

Obwohl sich der moderne Elementbegriff im 18. Jhd. schon anbahnte, waren in der Literatur (alchemistische/pharmaceutische) die alten Vorstellungen noch weit verbreitet.

Nach antiker Überlieferung (z.B. Aristoteles) baut sich die Stoffwelt aus den Elementen Erde (Terra), Wasser (Aqua), Feuer (Ignis), Luft (Aer) auf (= Quatuor elementa).

Bei den Alchemisten kommen 3 Elementa magica vor: Sal, Sulphur, Mercurius. Oder 5: Spiritus, Sal, Sulphur, Aqua, Terra.

Die ersten 3 „Elementa activa“, die beiden letzten „Elementa passiva“ genannt wurden. (Schneider 1962)

 

Bitter: Einfluss von Sulphur

 

3 Prinzipien werden durch Destillation, Fermentation (Gärung) und Calcination (Veraschung) getrennt, gereinigt und wiedervereinigt.

Ganz nach der Philosophie des "Solve et Coagula" (Lösen und Wiedervereinigen).

Zur Gewinnung einer spagyrischen Essenz werden in groben Zügen folgende Schritte durchgeführt.

   1. Gewinnung der ätherischen Öle durch Wasserdampfdestillation.

   2. Vergärung der Pflanzen

   3. Destillation des Alkohols aus der Vergärung

   4. Veraschung der Pflanzenreste

   5. Gewinnung der wasserlöslichen Salze aus der Pflanzenasche

   6. Vereinigung von ätherischem Öl, Alkohol und dem Salz

Spagyrische Tinktur:

Etwas einfacher in der Herstellung, allerdings auch nicht so feinstofflich in der Wirkung und nicht so lange haltbar wie die Essenz. Die Prozesse sind sind in groben Zügen:

   1. Die Mazeration der Pflanzen (Herauslösen der Wirkstoffe) mit Alkohol

   2. Die Veraschung der Pflanzenreste

   3. Die Gewinnung der wasserlöslichen Salze aus der Pflanzenasche

   4. Die Vereinigung des alkoholischen Auszugs mit dem Salz

Spagyrische Essenzen

Außergewöhnliche und aufwendige Herstellung. Das Wort Spagyrik selbst: Es kommt aus dem Griechischen und bedeutet trennen (span) und zusammenfügen (ageirein).

Herstellung:

1. Ausgesuchte, geprüfte, frische und ganze (nicht nur Teile) Heilpflanzen werden mit Hefe einer alkoholischen Gärung unterzogen, die die Wirkstoffe sehr gut aufschließt.

2. Trennen: Destillation der vergorenen Masse (Geist/Seele)

3. Zusammenfügen: Veraschung des verbleibenden Rückstandes. Die so gewonnenen mineralischen Inhaltsstoffe der Pflanzen (Körper) werden im Destillat gelöst.

Fumigation: an alchemistic process. By the heating, in the glowing fire of fumigation, the resin is released into the air as fine scent, as essence. Before the substance has nearly no smell at all. The process of transformation follows a cycle: “earth” à “fire” à “air = spirit” à “ashes” à “earth” thus the circle is closed.

 

Spagyrik

Die Spagyrik ist eine alte Heilkunst und man nennt sie auch Alchemia medica, alchemistische Medizin.

Befördert wurde sie insbesondere durch Bombastus Theophrastus von Hohenheim, bekannt unter dem Namen Paracelsus.

Genauso wie die Traditionelle Chinesische Medizin betrachtet diese Medizin-Richtung den Menschen als Einheit von Körper, Geist und Seele, die in Harmonie wirken sollen.

Spagyrische Tinkturen gehören der Regulationsmedizin an, d. h. die Selbstheilungskräfte des Körpers werden angesprochen und unterstützt.

Die spagyrischen Tinkturen können zur alleinigen Therapie oder als Begleittherapie bei jeder anderen Art von Therapie eingesetzt werden.

 

Ein Einstieg

Die vier Säulen:

1.      Philosophie (Schule der geistigen und sinnlichen Wahrnehmung der Welt, um das Unsichtbare zu begreifen - Signaturenlehre)

2.      Astronomie /Astrologie  (die Gestirne als geistige Lehrer, die dem Menschen ein Bewusstsein über seine wahre Natur ermöglichen) und die antike Lehre der 4 Elemente

3.      Alchemie (Durch geeignete Verfahren will man die geistartigen, quintessentiellen Kräfte aus den Stoffen befeien und als Heilmittel nutzen. die Arznei soll Krankheit in Gesundheit verwandeln UND dem Menschen einen Zugang zu seiner eigenen göttlichen Vernunft ermöglichen, und damit Untugend in Tugend verwandeln).

4.   Tugend (Die tragende Säule. Integrität des Heilers und seiner Methoden. Nächstenliebe)

Die 4 Elemente (Dies sind Begriffe für etwas Abstraktes, Ideen der Materie)

          Feuer              (warm und trocken)

          Erde                (trocken und kalt)

          Wasser              (kalt und feucht)

          Luft                 (feucht und warm)

Die 4 Säfte

          gelbe Galle                  (Feuer)

          schwarze Galle             (Erde)

            Schleim                       (Wasser)

          Blut                            (Luft)

 

 

Die Ungleichverteilung bzw. Disharmonie der Mischungsverhältnisse der Säfte wird von vielen, die Spagyrik betreiben, als eine Ursache o. als Ausdruck der Ursache von Krankheit gedeutet.

 

Die 4 Temperamente

          Choleriker                   (Feuer)

          Melancholiker              (Erde)

          Phlegmatiker              (Wasser)

          Sanguiniker                 (Luft)

Es wird kaum einen geben, der nur eines der Elemente in Reinform besitzt. Keiner hat nur Feuer-Element. Jeder ist mehr oder weniger eine Mischung aus mehr oder weniger allen Elementen.

Jedoch gibt es ganz individuelle Betonungen, die unsere Persönlichkeit und damit auch unsere Anfälligkeiten ausmachen. So wird ein Feuerbetonter Mensch (Choleriker) auch eher „feurige" Erkrankungen (z. B. Bluthochdruck) anziehen.

 

Die 3 Prinzipien sind Sulfur, Mercurius und Sal. Die Übersetzung in "Schwefel", "Quecksilber" und "Salz" führt in die Irre, denn es sind damit philosophische Prinzipien und nicht naturwissenschaftlich-chemische Elemente damit angesprochen.

Diese 3 Prinzipien wohnen aller Materie inne und stehen für jede Materie in einem spezifischen Mischungsverhältnis. Blut, Knochen und Rosenblüte enthalten alle die 3 Prinzipien, aber jeweils in einem eigenen Verhältnis.

 

 

Sulfur

Mercurius

 

Wärme

Ausgleich

 

Zähflüssig

Dünnflüssig

 

Schwer

Leicht

 

Destillierbar

Destillierbar

 

Ausdehnung

Wandlung

 

Seele

Geist

 

Bauch

Brust

 

Jugend

Rhytm

 

Unbewusst

Vorgänge

 

Akut

Feedbacksystem

 

Entzündung

„Aus dem Rhythmus“

 

Aufweichung

 

 

Anabolisch (Aufbau)

 

 

Die fünf möglichen Ursachen von Krankheit sind

1.      Ens astrale: krankmachende Umwelteinflüsse wie Klima, geologische Einflüsse, chemisch-physikalische Noxen (Strahlung, Radioaktivität, Infektionen)

Soll das Ens astrale geheilt werden, empfehlen sich unspezifische Immuntherapien, Tonika, Stimulanzien, Räucherungen, Umstimmungs- und Reiztherapien

2.      Ens veneni: schädliche Lebensweise, Wirkung von Giftstoffen

Soll das Ens veneni  geheilt werden, empfehlen sich Amara, Diaphoretika, Diuretika, Cholagoga, Choleretika, Emenagoga, Antidyskratika, Ausleitungsverfahren wie Aderlass, Schröpfen, hautreizende Therapien.

3.      Ens naturale: Konstitution

Soll das Ens naturale geheilt werden, empfehlen sich individuelle Therapiekonzepte vor allem mit Metallen nach astomedizinischen Gesichtspunkten; Therapie nach der Elementenlehre, Spagyrik

4.      Ens spirituale: psychosoziale und psychosomatische Einflüsse

Soll das Ens spirituale geheilt werden, empfehlen sich Psychotherapie, Geistheilung, Suggestivtherapie, Hypnose, Seelenbalsame, Sedativa, Nervina

5.      Ens dei: das unergründliche Wirken Gottes

Soll das Ens die geheilt werden, welches nicht im eigentlichen Sinne geheilt werden kann, gibt es ausschließlich die Bewusstwerdung der metaphysischen Hintergründe von Krankheiten, Geistheilung oder Wunderheilung

 

Paracelsus betont, dass man erst den „inneren Arzt“ schützen (Prophylaxe betreiben) muss, zum Beispiel mit Lebenselixieren.

Da immer alle Entien an einem Krankheitsgeschehen beteiligt sind, der ganze Mensch mit Körper, Geist und Seele ist erkrankt, müssen alle fünf Therapiewege miteinander spezifisch verknüpft werden.

 

Ein typisches Therapiekonzept sieht wie folgt aus:

    Prophylaxe (gegebenenfalls)

    Regeneration

    Zuführen von Lebensenergie (Ens astrale)

    Entgiftung und Verbesserung der Stoffwechselleistung (Ens veneni)

    Konstitutions- und Psychotherapie (Ens naturale und spirituale)

    „karmische" Bewusstwerdung de Patienten (Ens dei)

 

Ziel der alchemistischen Bemühungen

Das „fünfte Wesen", die Quintessenz, das Geistige, das hinter allen Erscheinungen steckt, zu entdecken und sichtbar und greifbar zu machen.

„Quinta Essentia ist, wenn die Natur über ihren gewöhnlichen Grad gestärkt wird" (Paracelsus)

„Die „Quinta Essentia", der Weltgeist oder die Weltenergie, zeigt sich in den Kristallen als geometrisches Prinzip, in den Pflanzen als vegetative Kraft, im Tier als Empfindung und im Menschen als Vernunft. Sie wird auch als der Träger aller Erscheinungen angesehen" (Aschner)

 

Das Weltbild hinter den alchemistischen Bemühungen

 

Schöpfung – Prima Materia

(die Ur-Substanz, rein, ohne Fehler, ohne Eigenschaft, aus ihr kommt alles Leben)

 

Sündenfall – Materie

Erlösung – Quinta Essentia (sie soll den Zugang zur Prima Materia ermöglichen)

 

Paracelsus nahm vier Grundtypen der Quintessenz an. Seiner Meinung nach gibt es also Quintessenzen des Wassers, des Feuers, der Luft und der Erde. Die Quintessenz eines bestimmten Stoffes, z. B. Melisse, setzt sich dann aus einer spezifischen Mischung der Quintessenzen der Elemente zusammen.

 

 

Vergleich: Siehe: Calcinatio + Theorien

 

 

Vorwort/Suchen                                Zeichen/Abkürzungen                                   Impressum